| |
door Enno van der Eerden
Meer dan 35 jaar werkte Adriaan Millenaar in Berlijn. In de jaren ’30 als landbouwattaché. Tijdens de oorlog als de enige Nederlandse gezant onder bescherming van het Zweedse consulaat. Na de Duitse capitulatie in de rol van consul-generaal en als het ‘zorgzame burgemeesterstype’ voor achtergebleven landgenoten.
Deel 1: Gevangen en dwangarbeiders
Hoe schokkend de gebeurtenissen op de 10de mei ook waren, helemaal onvoorzien waren ze niet. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens was al in november 1939 met de Zweedse regering overeengekomen dat in het geval van een Duitse inval de Nederlandse belangen in Berlijn behartigd zouden worden door het Zweedse consulaat. De Nederlandse gezant Van Haersma de With kreeg na de Duitse oorlogsverklaring volgens goed diplomatiek gebruik de gelegenheid met zijn personeel het pand aan de Rauchstrasse 10 te verlaten en af te reizen naar het neutrale Zwitserland.
 Nederlands gezantschap, Rauchstrasse 10.
Daarmee kwam de Nederlandse vertegenwoordiging in handen van de zogeheten Abteilung B van het Zweedse gezantschap onder leiding van Tor Wistrand. De delegatie kreeg ondersteuning van de Nederlander Adriaan Millenaar. Deze had zich na enige aarzeling bereid verklaard in Berlijn achter te blijven, op voorwaarde dat hem een diplomatieke status zou worden verleend.
Vooroorlogse hulpacties Het was niet toevallig dat het verzoek van de Nederlandse regering aan de 41-jarige Adriaan Millenaar werd gericht. Hoewel zijn functie van assistent landbouwattaché hem niet tot de meest voor de hand liggende vertegenwoordiger maakte, beschikte hij wel over grote sociale vaardigheden en vervulde hij in Berlijn verschillende functies in Nederlandse verenigingen. Bovendien kende hij de stad goed. Hij woonde er al sinds 1928, was gehuwd met een Duitse vrouw en had twee kinderen. Tijdens de oorlog zou nog een derde kind geboren worden. Millenaar was onder meer voorzitter van het ‘Comité tot Stichting van een Nederlandse Kerk in Berlijn’. Tot een volwaardige gemeente had dit nog niet geleid. Wel had Millenaar in 1936 een jonge predikant, Heinrich Grübel, bereid gevonden diensten te leiden voor een gezelschap van ongeveer honderd in Berlijn woonachtige Nederlanders. Grübel had een band met Nederland. Zijn moeder was afkomstig uit de Nederlands-Duitse grensstreek en zelf had hij enige tijd gestudeerd in Utrecht. Millenaar en Grübel hadden intensief contact in die vooroorlogse jaren en Grübel herinnerde zich Millenaar later als een van de weinigen in het diplomatieke milieu die zich niet voetstoots conformeerde aan de nieuwe orde. Zo had Millenaar in Nederland een goede kennis benaderd, de minister van Onderwijs Slotemaker de Bruïne. Deze oecumenisch gezinde theoloog had zijn invloed binnen de Nederlandse kerken aangewend, waaruit het ‘Comité voor Uitgewekenen van Ras en Geloof’ was voortgekomen. Met behulp van Heinrich Grübel had het comité ongeveer 900 Duitse joden over de grens naar Nederland gesmokkeld.
Geïnterneerde Nederlanders Aan deze activiteiten kwam in mei 1940 abrupt een eind. Het eerste probleem waar Millenaar voor geplaatst werd, was de internering van alle, ongeveer 1800 in Berlijn verblijvende Nederlandse mannen. Ze waren ondergebracht in de gevangenis bij Alexanderplatz. Onder auspiciën van het Zweedse consulaat vroeg hij het Auswärtige Amt van de NSDAP om opheldering. Enkele weken later werden vrijwel alle gevangenen in vrijheid gesteld. Gaandeweg tekende zich een veel lastiger probleem af. Millenaar merkte dat het Zweedse consulaat c.q. de Abteilung B nooit ingelicht werden als iemand met een Nederlandse nationaliteit gearresteerd was. Wat hem ter ore kwam was veelal afkomstig van privé-contacten. Maar als Millenaar navraag deed bij het Auswärtige Amt, kreeg hij steevast nul op het rekest. Arrestaties werden verricht door de Gestapo en deze instantie viel niet onder de verantwoordelijkheid van het ministerie.
 Alexanderplatz 1935. Rechts in het gebouw met de witte toren bevond zich de gevangenis waar in mei 1940 Nederlanders werden geinterneerd.
Verblijfplaatsen Millenaar begreep al snel dat hij bij de Gestapo niet hoefde aan te kloppen met verzoeken om invrijheidsstelling. Dat had geen enkele zin, zoals hij uitlegde aan mevrouw M. van Haersma Buma, die hem vanuit Nederland had benaderd met het verzoek om inlichtingen over haar naar Duitsland gedeporteerde echtgenoot. Millenaar waarschuwde haar dat zijn onderzoek maanden konden vergen. Hij was sowieso al blij als hij familieleden informatie kon verstrekken over verblijfplaatsen en als hem toestemming werd verleend gevangenen te bezoeken of voedselpakketten voor hen te regelen via het Rode Kruis. Millenaar poogde met alle beperkte middelen, maar altijd consciëntieus, betrokkenen op de hoogte te houden.
In het geval van de inmiddels overleden Van Haers-ma Buma kon hij niet veel meer toezeggen dan dat hij zou pogen informatie in te winnen over de overlijdensomstandigheden en het vervoer naar Nederland van de urn met de stoffelijke resten. Waar Millenaar voortdurend tegen te hoop liep was het feit dat de Duitse autoriteiten op het standpunt stonden dat de Zweedse legatie – en dus ook Millenaar – zich dienden te beperken tot Nederlandse krijgsgevangenen en zich niet moesten bemoeien met dwangarbeiders en studenten, laat staan politieke en joodse gevangenen. Pogingen tot een uitwisseling van de ter dood veroordeelde Nederlandse geheim agent Lodo van Hamel tegen een Duitse agent in Engelse handen waren dan ook tot mislukken gedoemd, zeker nadat Hitler bevel had gegeven alle doodvonnissen uit te voeren.
Nuttige contacten Maar dankzij Millenaars inzet, waarbij hij zich altijd gesteund wist door de uiterst bereidwillige Wistrand, waren er ook kleine successen. Het lukte hem op verzoek van de Nederlandse regering in Londen de verblijfplaats te achterhalen van een groep Indische gijzelaars en vervolgens contact met hen te leggen in Buchenwald en Ravensbrück. En ook slaagde hij erin een groep gearresteerde Nederlandse katholieken te traceren, waarop hij attent gemaakt was door P.J.A.A. de Gruyter, bedrijfsleider van de Berlijnse filialen van het gelijknamige Nederlandse levensmiddelenconcern. Tijdens hun speurtocht stuitten Millenaar en De Gruy-ter op de hoge Gestapo-functionaris Hoffmann, met wie ze een vriendschappelijke band wisten op te bouwen, waarna ze permissie kregen gevangenen te bezoeken en voedselpakketten af te leveren. Erik De Laval, opvolger van Wistrand, bouwde dit nuttige contact nog verder uit en nodigde Hoffmann regelmatig bij hem thuis uit voor een dineetje. Helaas kwam aan dit contact een eind toen beiden in de loop van 1943 werden overgeplaatst. De Laval werd vervangen door Adolf Von Rosen, met wie Millenaar een minder soepele relatie had, hoewel ook zij tweeën na verloop van tijd een bruikbare ingang vonden in het Gestapo-apparaat. Sturmbahnführer Hartl had zojuist een boek gepubliceerd en Millenaar en Von Rosen hadden al snel door dat ze hem tot gunsten konden verleiden als ze avondenlang met hem filosofeerden over allerlei religieuze thema’s. In de loop van 1943 werd Millenaar geconfronteerd met een groep van zo’n 3000 Nederlandse studenten die geweigerd hadden de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en in Duitsland tewerk waren gesteld. Ook voor hen kon Millenaar niet veel meer doen dan het aanleveren van voedselpakketten, die vaak verzorgd werden door De Gruyter. Maar hij was wel zijdelings betrokken bij de activiteiten van een studentenverzetsgroep die gevangenen hielp te ontvluchten. Ongeveer 150 studenten konden naar Nederland ontkomen, maar even zovelen werden opgepakt en naar tuchthuizen getransporteerd.
Onder verdenking Nadat bij geallieerde luchtaanvallen de Zweedse en Nederlandse legaties volledig in de as waren gelegd, besloten de Zweden eind 1943 hun heil buiten de stadsgrenzen te zoeken. Millenaar nam zijn intrek op het landgoed Biesenthal van de Nederlandse familie Wttewaal van Stoetwegen in de buurt van de Wannsee. Het was behelpen, want nieuwe kantoorvoorzieningen arriveerden pas maanden later. Een veel groter probleem was echter dat de Zweedse gezant door het Auswärtige Amt gesommeerd werd erop toe te zien dat Millenaar zich niet langer op eigen houtje in contact zou stellen met verschillende Duitse instanties. De Gestapo dreigde zelfs met arrestatie als hij nog één voet over de drempel zou zetten. Millenaar hield zich gedeisd, maar kreeg vervolgens bericht dat hij vanaf 1 augustus niet langer onder de Zweedse vlag kon opereren. Bovendien mocht hij het land niet verlaten, aangezien de Gestapo hem ervan verdacht brieven van en aan joden te hebben doorgesluisd. Het was aan de diplomatieke vaardigheden van de Zweedse gezant te danken dat Millenaar zijn positie kon behouden. Hij zag zich genoodzaakt nog behoedzamer te werk te gaan, zonder echter zijn bemoeienis met het lot van zijn landgenoten uit het oog te verliezen. Op de achtergrond bleef hij gebruik maken van zijn eigen netwerk. Via buitenlandse diplomaten en medewerkers van het De Gruyter-concern, die een permanent visum bezaten om ongehinderd heen en weer te reizen, speelde hij informatie door of ontving hij inlichtingen over de verblijfplaats van gevangenen. Regelmatig vervoegde hij zich bij fabriekscomplexen om zijn beklag te doen over de erbarmelijke werk- en verblijfsomstandigheden van de Nederlandse dwangarbeiders. Een vrijwel ondoenlijke taak. Volgens cijfers van het Bureau Inlichtingen van de Nederlandse regering in Londen bevonden zich in het laatste oorlogsjaar bijna 75.000 dwangarbeiders in Berlin-Brandenburg.
Rode Leger Via de Zweedse gezant werd een krachtig protest ingediend tegen het inzetten van Nederlandse burgers voor militaire doeleinden. Door het Auswärtige Amt werd dit afgewezen. Het betrof hier immers inspanningen die niet tegen Nederland waren gericht, maar ter bestrijding van het bolsjewisme. Bovendien bestonden tussen de oorlogsvoerende naties geen internationale overeenkomsten die dergelijk werk verbood. Formeel gezien was er geen speld tussen te krijgen en het kostte Millenaar grote moeite dit uit te leggen aan zijn landgenoten die meenden dat dergelijke afspraken wel bestonden. Met het Rode Leger op hoorbare afstand van Berlijn vreesde Millenaar dat vele Nederlandse dwangarbeiders in Duits uniform naar het front gestuurd zouden worden. Om te voorkomen dat zij in Russische krijgsgevangenschap zouden belanden liet hij met behulp van De Gruyter tienduizend korte verklaringen in het Russisch verspreiden onder Duitse pelotonscommandanten in de hoop dat ze op de juiste plaats terecht zouden komen.
Naar later bleek hebben vele Nederlanders baat gehad bij dit initiatief. Millenaars gezin was al naar Stockholm vertrokken, toen in april 1945 de Zweedse legatie inclusief de Abteilung B uit eigen land het bevel kreeg Duitsland te verlaten. Millenaar was vastbesloten in Berlijn te blijven. Hij voorzag grote problemen voor zijn landgenoten. Vanuit Londen liet minister Van Kleffens echter weten dat hij Millenaar onder geen beding zonder diplomatieke bescherming in Berlijn wilde achterlaten. Daar had Millenaar zich naar te richten, zodat ook hij kort voor de val van de stad het land verliet.
Deel 2: Hängengebliebenen
Het Berlijn waar Adriaan Millenaar anderhalf jaar later terugkeerde was een ontwrichte stad vol puinhopen en ruïnes. Na de capitulatie was Berlijn door de Russen en de westelijke geallieerden opgedeeld in vier bezettingszones. Vestiging van ambassades en consulaten in de voormalige Duitse hoofdstad waren niet mogelijk zolang nog geen definitieve beslissingen genomen waren over de toekomst van het land. In plaats daarvan werd een Nederlandse Militaire Missie aangemeld bij de Allied Control Council. Deze Militaire Missie, onder leiding van vice-admiraal Doorman en overste Van Rij, had als voornaamste taak de repatriëring van de Nederlanders en de opsporing van vermisten. Millenaar werd belast met de leiding van de consulaire afdeling. Bij wijze van erkentelijkheid voor zijn verrichtingen tijdens de oorlog ontving hij de titel van consul-generaal.
 Berlijn na de capitulatie.
Russische sector Het overgrote deel van de Nederlandse dwangarbeiders in Berlijn en omgeving keerde met hulp van de Militaire Missie of op eigen kracht terug naar huis. Een klein aantal verkoos in Duitsland te blijven, in vrijwel alle gevallen omdat men een Duitse partner had ontmoet. Voor degenen in de westelijke bezettingszones leverde dit weinig problemen op.
Anders lag dat bij de circa 2000 voormalige gevangenen die in de Russische sector van Berlijn of elders in Oost-Duitsland woonden en die overgeleverd waren aan de grillen van de communistische autoriteiten. Millenaar zag erop toe dat ook aan deze groep van Hängengebliebenen door de Nederlandse Militaire Missie Rode Kruispaketten en andere hulpgoederen werden verstrekt.
Wereldraad van Kerken Millenaar zocht opnieuw contact met Heinrich Grübel, die eind jaren ’30 betrokken was geweest bij een provisorisch opgezette Nederlandse kerkgemeente. Grübel, die gevangen had gezeten in een concentratiekamp, had inmiddels een hoge functie in het bisdom Berlin-Brandenburg en was aangesteld als vertegenwoordiger van de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD) bij de Oost-Duitse regering. De partijleiding beschouwde dit overkoepelend orgaan, waar alle lutherse kerken in geheel Duitsland bij waren aangesloten, als een hinderlijk obstakel, maar begreep ook dat het een factor was waar men rekening mee diende te houden.
Millenaar benaderde de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) en drong aan op de benoeming van een Nederlandse predikant in Berlijn. Zijn verzoek paste in het beleid van de NHK, die kort na de capitulatie de band met de Duitse protestantse kerken had hersteld, inclusief die in het oostelijk deel van het land. Daarnaast was de NHK nauw betrokken bij de in 1948 opgerichte Wereldraad van Kerken. Ter bevordering van de oecumene werden jonge christenen uitgezonden naar andere landen om projecten op te zetten. In het kader van dit zogenaamde fraternal work arriveerde in de zomer van 1949 de 31-jarige Nederlandse theologe Amelia Elisabeth (Bé) Ruys in Berlijn. Haar eerste taak was om in een internationaal team te assisteren bij het jeugdwerk van de EKD.
 Anhalter Bahnhof voor de oorlog. Aan de overzijde vond in 1949 de eerste Nederlandse kerkdienst o.l.v. Be Ruys plaats.
Sonntag ist Kirche Millenaar reageerde teleurgesteld toen Ruys zich onaangekondigd bij hem aandiende. Haar aanstelling kwam niet overeen met wat hem voor ogen stond en bovendien kon ze als vrouw niet als een volwaardig predikante worden benoemd. Maar na de stroeve kennismaking kregen de twee al snel een goede band. Ze kwam bij hem thuis, kon goed overweg met zijn drie kinderen en herinnerde zich hem later als een ‘oprecht en eenvoudig mens’, die zijn diplomatieke verplichtingen nauwgezet vervulde en die haar deed denken aan het ‘zorgzame burgemeesterstype’. Millenaar had al de gewoonte de Nederlanders, zeker die in de Ostsektor, bij elkaar te halen op herdenkingsdagen of tijdens sinterklaas- en kerstvieringen. Nu betrok hij ook Ruys bij zijn initiatieven en besprak met haar de mogelijkheid diensten te houden. Geschikte ruimtes waren in het onttakelde Berlijn niet zo eenvoudig te vinden, maar het lukte hem een zaaltje te huren in het onderkomen van de Deense kerkgemeente in de buurt van het Anhalter Bahnhof. Alle Nederlanders ontvingen van Millenaar een briefkaart met daarop de tekst: ‘Sonntag ist Kirche – ich komme auch’. Op 30 oktober 1949 vond onder leiding van Bé Ruys de eerste Nederlandse dienst plaats, aanvankelijk eenmaal per maand, later tweewekelijks. Onder de 83 aanwezigen bevond zich behalve Millenaar ook Heinrich Grübel, met wie Ruys in de toekomst nog regelmatig te maken zou krijgen.
|
|
 Adriaan Millenaar
Holländerbaracke In haar eerste Berlijnse jaren was Ruys, evenals tal van oecumenische organisaties, actief in de opvang van de enorme aantallen Vertriebenen uit het oosten. Velen van hen wilden naar het westen en benutten daarvoor de open grens tussen Oost- en West-Berlijn. In het speciaal hiervoor ingerichte opvangcentrum Marienfelde meldden zich ook Nederlanders aan. Zelfs in 1954 was er nog een aparte Holländerbaracke. Ruys was zeer begaan met het lot van de Nederlanders. In haar autobiografische notities brak ze een lans voor de voormalige dwangarbeiders, zeker degenen die tewerk waren gesteld bij de Organisation Todt, een instantie die verantwoordelijk was voor de aanleg van militaire objecten. In Nederland, zo had Ruys geconstateerd, bestond de neiging deze groep te verwijten dat men voor de Duitse oorlogsindustrie had gewerkt. Men was dus eigenlijk in vreemde krijgsdienst getreden en had daarmee zijn recht op het Nederlandse staatsburgerschap verloren. Ze uitte haar solidariteit met deze groep die in haar ogen evenzeer slachtoffer was van het nazi-regime.
 Be Ruys.
Politiek beladen Via haar huisbezoeken en de tweewekelijkse diensten maakte ze van nabij mee hoe deze oud-dwangarbeiders verstrikt konden raken in politieke en bureaucratische tentakels. Of het nu ging om paspoort-, repatriërings- of echtscheidingskwesties, alles in een stad als Berlijn was politiek beladen. Degenen die om wat voor reden dan ook het Nederlandse staatsburgerschap waren kwijtgeraakt, hadden noodgedwongen via een huwelijk met hun partner de Duitse nationaliteit aangenomen. Toen de Nederlandse regering bekendmaakte dat vrouwen die gehuwd waren met een Duitser hun staatsburgerschap terug konden krijgen, mits ze binnen een jaar een verzoek daartoe indienden, merkte Ruys dat de vrouwen in de DDR hiervan niet op de hoogte waren. Met medewerking van Millenaar zorgde ze ervoor dat deze vrouwen alsnog werden geïnformeerd. Degenen die gehuwd waren met een Duitse man of vrouw en in Oost-Berlijn of de DDR woonden werden geconfronteerd met beperkte uitreismogelijkheden. Een bezoek aan West-Berlijn lukt nog wel, de sectorgrenzen waren nog open, maar een bezoek aan familie in Nederland werd al lastiger, zeker als men kinderen mee wilde nemen, die immers alleen de Oost-Duitse nationaliteit bezaten.
 Adriaan Millenaar op het landgoed Biesenthal.
Kunstgrepen en dialoog Vanuit haar kantoor/woning in de Limonenstrasse in het Zuid-Berlijnse Dahlem begon Ruys de DDR-burelen te bestoken. Ze wilde een versoepeling van de uitreismogelijkheden en toestemming om vakantiereisjes te organiseren voor de kinderen die geboren waren uit de huwelijken van oud-dwangarbeiders en hun Oost-Duitse partners. Het moest toch mogelijk zijn deze kinderen kennis te laten maken met hun grootouders en het land van hun vader of moeder. Die toestemming kwam er, maar wel op voorwaarde dat Ruys garant zou staan voor hun terugkeer. Maar met het opsteken van de Koude Oorlogwind moest Ruys steeds meer kunstgrepen bedenken als ze door de Ostsektor wilde reizen om landgenoten te bezoeken of diensten te organiseren. Maar ze was vindingrijk. Soms kon Heinrich Grübel iets gedaan krijgen en als dat niet lukte, maakte ze als secretaresse behendig gebruik van de handelsmissies die het bedrijf van haar familie regelmatig naar de DDR ondernam. Ruys handelsvereeniging N.V., gespecialiseerd in schrijfmachines, was een vaste verschijning op de Leipziger Messe. Pas eind jaren ’50 kreeg de Stasi lucht van deze dekmantel. Toch wisten de Stasi-agenten niet goed raad met haar activiteiten. In de eerste jaren na haar aankomst in Berlijn had Ruys zich zeer kritisch uitgelaten over het DDR-regime en de beperkingen voor de daar wonende christenen. Maar in tegenstelling tot de meeste andere kerkelijke instellingen, zo meldden de Stasi-rapporten, zochten Ruys en de in 1954 opgerichte Nederlandse Oecumenische Gemeente niet de confrontatie, maar in toenemende mate toenadering en dialoog.
Muur rond West-Berlijn In de vroege ochtend van zondag 13 augustus 1961 werden door een Oost-Duitse troepen- en politiemacht van zo’n 40.000 man alle grensovergangen afgesloten. In de daaropvolgende dagen werden de prikkeldraadversperringen rond West-Berlijn vervangen door een muur. In Nederland bevond zich op dat moment een groep van negentig jongeren uit de DDR. Millenaar voerde druk overleg met Ruys, die in de tussentijd ook besprekingen voerde met het Oost-Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken.
Ze voelde het als een morele plicht de kinderen terug te halen en stapte op de trein naar het Nederlandse zeilkamp waar de jongeren verbleven. Daar kreeg ze te horen dat een groot aantal van hen liever in Nederland bleef. ‘Het was aan mij’, zo schreef ze later, ‘de jongelui op het hart te drukken, ook onder de gewijzigde omstandigheden naar de DDR terug te keren. Na lange gesprekken reisden ze allen een paar dagen later mee terug. In de Französische Dom in Ostberlin wachtten de bezorgde ouders. Toen wisten we dat we op de juiste wijze gehandeld hadden. We hadden het niet kunnen verantwoorden ze van hun ouders en vrienden te scheiden, ze uit hun scholen en opleidingen weg te rukken en ze een ongewisse toekomst tegemoet te laten gaan. (…) Alvorens we na onze terugkeer uiteengingen, hielden we aan het eind van de dag gezamenlijk een korte avondoverdenking. Daaraan nam ook consul-generaal Millenaar deel. Hij verklaarde: “Ik kan nu niets meer voor jullie doen, zorg dat je contact houdt met de gemeente.”’
 Brandenburger Tor, augustus 1961, kort na het aanbrengen van de eerste versperringen.
Deel 3: Epiloog
Bij afwezigheid van een Nederlands consulaat ondernam Adriaan Millenaar nog een vergeefse poging voor de Nederlanders in de DDR, die een dubbele nationaliteit maar geen paspoort bezaten, geldige reisdocumenten te verzorgen. Ook het idee om hen financieel te steunen moest hij laten varen, omdat deze bedragen in mindering gebracht zouden worden op hun pensioen. Geleidelijk aan naderde hij het einde van zijn werkzame leven. Na meer dan 35 jaar in Berlijn gewoond te hebben, keerde hij in 1964 als gepensioneerd diplomaat terug naar Nederland. Bé Ruys, die vanuit de Nederlandse Oecumenische Gemeente – in 1959 omgedoopt in het Hendrik Kraemer Haus – de dialoog had gezocht, schoof steeds meer op in de richting van sympathie voor de socialistische staat. Zij en haar medewerkers verkregen een permanent in- en uitreisvisum en toestemming om in Oost-Berlijn een vestiging van de Nederlandse Oecumenische Gemeente op te richten, die rond 1970 nog zo’n 900 leden telde. Maar de politiek won het van de religie. De Nederlandse Oecumenische Gemeente rolde mee in de maalstroom van de studentenrevolte van de jaren ’60, de anti-Vietnamdemonstraties, kritiek op de kapitalistische, imperialistische politiek van het Westen en speelde een controversiële rol in de Vredesbeweging die tien jaar later fel ageerde tegen de stationering van NAVO-kruisraketten. Adriaan Millenaar is er van een afstand nog getuige van geweest. Hij was 87 toen hij in 1986 in Leidschendam overleed. Bé Ruys, 89 inmiddels, woont nog altijd in Berlijn. Niet meer in de Limonenstrasse, sinds 2002 is het Hendrik Kraemer Haus gevestigd aan de Lindenstrasse. Tegenover het nieuwe Joods Museum, niet ver van Checkpoint Charlie en op vijftig meter afstand van de dubbele klinkerrij in het plaveisel die tegenwoordig de vroegere scheiding tussen Oost en West markeert.
Bronnen: • Horst Dohle e.a. (Hrsg.): Der Gesichte ins Gesicht sehen – Zum 80. Geburtstag von Bé Ruys. Autobiographische Skizzen, Erinnerungen und Betrachtungen (Berlin, 1996). • Beatrice de Graaf: Over de Muur – De DDR, de Nederlandse kerken en de vredesbeweging (Amsterdam, 2004). • L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Den Haag, 1969-1994). • Niederländer und Flamen in Berlin 1940-1945 – KZ-Häftlinge, Inhaftierte, Kriegsgefangene und Zwangsarbeiter (Berlin, 1996). • Jacco Pekelder: Nederland en de DDR (Amsterdam, 1998). • Archief familie Buma: in Tresoar, Fries Historisch en Letterkundig Centrum, Leeuwarden
|
|